Aanleg A102 en R11bis

Dagelijks staan er lange files op de Antwerpse Ring en op de snelwegen van en naar de stad. Bovendien kampt de oostelijke rand van de stad met een groot probleem van sluipverkeer en toenemende verkeersdrukte. Het Masterplan Mobiliteit 2020 van de Vlaamse regering voorziet  de aanleg van de ondergrondse A102 en de vertunneling van de R11 (de zogenoemde R11bis) om de congestie op de Antwerpse Ring structureel aan te pakken en de leefbaarheid van de betrokken gemeenten te verbeteren. In 2011 kreeg gouverneur Cathy Berx  dan ook de opdracht van de Vlaamse regering om als procesbegeleider “werk te maken van een gedragen streefbeeld voor R11 en ontsluiting Rupel.”  Een sterk participatief en interactief proces werd opgezet. Zo werden alle mogelijke stakeholders al in een zeer vroeg stadium, tijdens de plan– en/of studiefase, betrokken.  Dat proces gaat door. Het beoordelen van voorstellen en oplossingen op hun intrinsieke kwaliteit, hun effecten voor de mensen en voor de ruimtelijke omgeving was en is daarbij steeds een fundamenteel aandachtspunt. 

Wat?

De A102 en R11bis moeten het knooppunt van de E19 en de A12 in Ekeren verbinden met de E313 in Wommelgem en de E19 in Wilrijk. In het kader van de plannen voor de A102 en de R11bis onderzoekt Agentschap Wegen en Verkeer Antwerpen (AWV) ook of een verbinding tussen de R11 en de N10 (Boechout) wenselijk is.

Plan-MER (MilieuEffectenRapport)

Het planningsproces voor de A102 en de R11bis begon met de opmaak van een plan-MER of milieueffectenrapport, opgestart in augustus 2013. Wat kunnen de gevolgen zijn voor de mens, het milieu, de ruimte en de mobiliteit als de A102 en de R11bis er effectief komen? Dat is het voorwerp van een plan-MER-studie. Onafhankelijke experts bestuderen daarin of, waar én hoe de nieuwe wegen het best aangelegd worden. Essentieel daarbij is dat de verschillende alternatieven objectief en gelijkwaardig onderzocht worden.

Inspraak

In september 2013 stelde AWV de plannen voor de A102 en de R11bis voor aan het grote publiek tijdens een reizende infomarkt in Mortsel, Merksem en Wijnegem. De ruim 2300 bezoekers kregen de kans om vragen te stellen en konden zich zo voorbereiden op het officiële inspraakmoment.

Van 15 januari  tot 15 februari 2014 lag het kennisgevingsdossier ter inzage in 30 steden en gemeenten in de ruime Antwerpse regio. Dat dossier bundelde de plannen voor de A102 en de R11bis. Iedereen kon het inkijken en formeel aangeven wat er volgens hem/haar in het plan-MER extra moest onderzocht worden en op welke manier. Ook alle betrokken gemeentebesturen, organisaties en verenigingen kregen mogelijkheid tot inspraak.

In totaal werden meer dan 600 inspraakreacties overgemaakt aan de dienst MER. Heel wat daarvan waren suggesties om extra alternatieven te onderzoeken.

Opmaak van het MER

Het milieueffectenonderzoek gebeurt op basis van concrete richtlijnen van de dienst MER van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid. Die richtlijnen leggen de volgende stap in het te voeren milieuonderzoek vast. Ze houden rekening met de inspraak van de bevolking en bepalen de inhoud, de reikwijdte en het detailleringsniveau van het milieueffectenonderzoek, dat zal leiden tot het definitieve plan-MER-rapport.

  1. De eerste richtlijnen voor het plan-MER van de A102 en de R11bis zijn gepubliceerd op 8 april 2014 en zijn terug te vinden via deze link. De richtlijnen legden de volgende stap vast in het milieuonderzoek: de trechtering.
  2. Tijdens de trechtering onderzochten de experts welke van de bij de publieke inspraak ingediende alternatieven zinvol en kansrijk zijn, én dus voort worden onderzocht. Het trechteringsrapport werd besproken met adviesinstanties en leverde aanvullende bijzondere richtlijnen op voor het onderzoek. Zowel het trechteringsrapport als die aanvullende richtlijnen zijn gepubliceerd op 28 oktober 2014 en zijn terug te vinden via deze link.

Te onderzoeken alternatieven

Deze kaart toont de alternatieven die onderzocht worden in het MER-onderzoek. De trechteringsnota beschrijft elk alternatief.

In een volgende  fase voerden experts van Transport en Mobility Leuven een grondig mobiliteitsonderzoek uit. De centrale vraag was hier of de alternatieven een oplossing bieden voor de doelstellingen van het plan, namelijk het aanpakken van de structurele congestie op de Antwerpse Ring en het verhogen van de leefbaarheid in de Oostrand van Antwerpen. Op dit moment heeft dit onderzoek nog geen officieel statuut omdat het nog een aantal stappen binnen het Mer-proces moet doorlopen. Er werden nog geen officiële conclusies uit getrokken.

Het ontwerp-mobiliteitsonderzoek geeft aan dat de Masterplan-projecten A102 en R11bis niet de verhoopte ontlasting van de Antwerpse ring bieden.  Ook het concept van Ringland dat werd ingesproken als alternatief beantwoordt niet aan de doelstellingen betreffende mobiliteit. Ook geeft het rapport belangrijke input aan de samenwerking binnen het proces dat de intendant voert rond de overkapping van de zuidelijke Ring: het mobiliteitsrapport bevestigt de wenselijkheid om aansluitend op een noordelijke ontsluiting van de Antwerpse ring prioriteit te geven aan de verdere ontlasting van de zuidelijke ring.

Een bijdrage hiertoe kan in eerste orde geleverd worden door stedelijke en doorgaande verkeersstromen van elkaar te scheiden. Een aanpak die prioriteit verdient boven het aanleggen van bijkomende ringstructuren.

Volgende stappen

De resultaten van de ontwerpstudie zullen de komende weken en maanden worden besproken met de adviesinstanties en de verschillende betrokken lokale besturen. Daarna kunnen de resultaten van het mobiliteitsonderzoek bekrachtigd worden in richtlijnen van de dienst MER. Het definitieve rapport zal beschikbaar worden gemaakt voor het grote publiek.